Van 1300 tot 1600
1300 - Toen later - vanaf het begin van de veertiende eeuw - de scheepvaart op het Zwin sterk toenam, groeide de behoefte aan een meer georganiseerde wijze van beloodsing.
Het eerder genoemde gedenkboek verhaalt over de totstandkoming van de Zeeuwse zeehavens in die tijd: de Walcherse havens Arnemuiden, Middelburg, Veere en Vlissingen en de haven van Zierikzee. Deze steden stelden bevoegde loodsen aan. Koopvaarders uit den vreemde, waaronder die uit Biskaje, Castiliƫ, Portugal, Genua en Venetiƫ de belangrijkste waren, kwamen onder leiding van zogenaamde 'piloten' tot in de Vlaamse en Zeeuwse kustwateren en namen daar een loods aan boord. De piloten maakten deel uit van de bemanning en waren terdege bekend met het traject; zij werden voornamelijk betrokken bij de kustnavigatie. Wanneer de ter plaatse beter bekende loods aan boord kwam, nam deze de navigatie over.
1487 en 1493 - Dat de Zeeuwen zich indertijd al bezig hielden met het beloodsen van schepen die Zeeland en misschien ook wel het Zwin tot bestemming hadden, blijkt uit de kwartiermeestersrekeningen uit de jaren 1487 en 1493 van de stad Middelburg.
Deze spreken van de uitbetaling van een zeker bedrag aan 'thien piloten, die de stede van Middelburg uitgesonden heeft in de see, omme den coopman uyt Spanien en de andere diverschen landen, tegemoet te varen'.
Het feit dat zij in 1568 vrijstelling van inkwartiering durfden te vragen en verkregen, wijst op hun sterke positie en op hun drukke werkzaamheden.
1572 - Nadat Vlissingen en Veere in 1572 de zijde van de Prins van Oranje hadden gekozen, brak voor Zeeland een tijd van strijd aan. Al snel bleek dat Alva de strijd slechts zou kunnen winnen, als hij ook de Zeeuwse wateren beheerste. Om zijn vloot te versterken verzocht Alva de graaf van Bossu, die met een vloot op de Zuiderzee lag, een aantal schepen naar Zeeland te sturen.
Op 1 oktober 1572 antwoordde Bossu, dat hij veertien bodems gereed had die onder vice-admiraal Van Boschuizen naar het Marsdiep zouden komen. Hij maakte Alva er wel op attent, dat de scheepskapiteins er grote bezwaren tegen hadden om zonder loods het Veregat of de Roompot binnen te varen, en mochten zij er al in slagen deze wateren binnen te lopen, dan zouden zij toch loodsen nodig hebben om hen naar Arnemuiden te brengen.
Er was dus reeds in 1572 sprake van zee- en binnenloodsen. Mogelijk was er door de toenemende scheepvaart - de Kamer van Zeeland van de Verenigde Oostindische Compagnie was na die van Amsterdam de grootste - de behoefte ontstaan om door het aanstellen van loodsen de veiligheid te bevorderen.
De loodsen verrichtten hun diensten aan de hand van door de stad Middelburg vastgestelde reglementen. Het ging in de eerste plaats om de vaart van Middelburg door het Kanaal van Welsinge en vandaar naar de Rede van Rammekens of ook wel de Rede van Vlissingen.
English
Home